Judith Keith - Waar de dag de nacht omarmt
Roman
Fragment
( . . . )
Elizabeth Banks was al vijf jaar zonder man.
Ze was steeds dieper weggedoken in de zijden cocon van isolement, had haar emoties bedwongen en onderdrukt en zich opgekruld zoals een rups opkrult bij gevaar.
Maar ze kon niet al haar instincten uitschakelen en zeker niet haar waardering voor knappe mannen.
En de lange vreemdeling die zich een weg naar haar toe baande, toen ze 'Plaats vrij!' riep om de stoeltjeslift met iemand te delen, bracht een aarzelende glimlach op het fijnbesneden, ovale gezicht dat werd omlijst door een muts van rood vossenbont.
Terwijl hij door de lange rij skiërs naar haar toe liep, zag ze dat zijn scherpe, magere gezicht grimmig stond.
Hij gaf Elizabeth een kort knikje en zei nors: 'Je zou toch denken dat de rij inmiddels wel korter was geworden.'
'Als een kaartje voor de lift vijfentwintig dollar kost, blijft iedereen skiën tot het bittere eind,' antwoordde ze, terwijl ze haar kraag opsloeg tegen de wind die om de hoek van het huisje blies en sneeuw van het dak in het gezicht deed wervelen van de skiërs die stap voor stap, even regelmatig als een korps cadetten, voorwaarts bewogen.
Hij reageerde niet.
Ze duwde haar bril naar beneden en tuurde naar de berg.
Wat was de zon snel verdwenen.
Dikke wolken tuimelden over elkaar en maakten van de net nog heldere hemel een dikke grauwe massa.
Ze dacht aan de Engelsman die ze jaren geleden in St. Anton had ontmoet.
'Mijn beste,' had hij gezegd, 'ik ski alleen tussen twaalf en twee wanneer de zon schijnt.'
Ze keek weer naar de hemel en besloot er na deze afdaling mee op te houden.
Een blik op de man naast haar vertelde haar dat zijn gezicht geen vreugde, geen enthousiasme uitstraalde voor de opwinding van de afdaling en ze vroeg zich af waarom hij in de rij stond.
( . . . )
Romans >