Leopold Vermeiren - De Rode Ridder valt aan
Jeugd
Fragment
. . .
De rode ridder had alleen zijn jachtmes.
Daarmee kon hij
niet veel uitrichten.
De eerste man, die met zijn kromzwaard op hem toevloog,
kon hij gelukkig al bukkend ontwijken.
Hij greep de kerel bij zijn kleed, deed
hem struikelen over zijn voet en trok hem wild naar zich toe.
Hij greep zijn
slachtoffer fluks bij de benen en lichtte hem van de grond, net of het een zak
pluimen was.
De man wild in het rond zwaaiend, hield hij de andere bruingezichten
op afstand.
Als hij nu maar bij
zijn zwaard kon . . .
Als Sha ook maar eens los was . . .
Als . . .
Ja... ja... als dit... als
dat... maar dat was nu helemaal niet.
Integendeel, daar kwamen de bruingezichten,
die Dirk bewaakten, ook schreeuwend toegelopen.
- Alle tormenten! siste Johan.
Hij liet plots de
man los, zodat hij een paar van de overige aanvallers omver kegelde.
Daaraan
hadden dezen zich zeker niet verwacht.
Er ontstond een
lichte verwarring.
De Rode Ridder maakte er haastig gebruik van.
Met één sprong
was hij tot bij zijn tent, reet met zijn jachtmes de rug ervan open en duikelde
naar binnen.
Het volgende ogenblik verscheen hij langs voor in de tentopening,
met zijn gevreesde slagzwaard in de hand.
Hij bemerkte dat Koen reeds terug in
de macht van de bruine duivels was.
Het was dus één tegen allen.
Die strijd was
te ongelijk.
Als die kerels de tijd kregen om overleg te plegen, was hij een
verloren man.
Dus, geen tijd verloren.
- Heehihoo!... riep
hij, en, lopen wat hij lopen kon, vloog hij onvervaard op de kromzwaarden af.
Maar die stonden hem vastberaden af te wachten achter twee halfvergane
boomstammen, die op de grond lagen.
De Rode Ridder
stuitte zijn loop niet.
Integendeel, hij verhaastte nog zijn pas.
Hoe vermetel!
Ging hij zich op de kromzwaarden van die kerels te pletter lopen?
Dat dachten die
kerels wel, maar dat gebeurde nog niet.
Toen Johan de boomstammen bereikte,
duwde hij fluks af, kwam met zijn linkervoet boven op de eerste stam terecht,
duwde nogmaals krachtig af en vloog in wijde boog over zwaarden en hoofden van
de onthutste tegenstrevers heen.
Voor ze er aan dachten achter de Rode Ridder
aan te hollen, had deze reeds meer dan tien meter voorsprong.
Hij rende naar Dirk, die een eind verder op de grond lag.
- Leg je op de buik,
Dirk!
Zo kan ik het touw doorsnijden."
Dirk liet zich dat natuurlijk geen
tweemaal herhalen!
Enkele ogenblikken
later liet Johan zich als een tijger op hem vallen.
Een, twee, drie trekken met
het vlijmscherpe jachtmes en de touwen waren doorgetrokken.
Johan trok zijn vriend recht.
- Vlucht weg, Dirk!
Maak een omweg door de bosjes en bevrijd Sha en Koen.
Ik houd die kerels wel
bezig, om de aandacht af te leiden.
. . .