Leopold Vermeiren - De Rode Ridder op de ijzeren brug
Jeugd
Fragment
- De tenten branden!
Die kreet deed vriend en vijand verbaasd opkijken.
Hee? Wat was dat? Wat zagen hun ogen?
Een wilde horde in witte mantels op kleine Arabische paardjes, gevolgd door een groep op grote, donkere paarden, rende als razend door de vlakte en schoot brandende pijlen naar de verlaten tenten.
- De tenten branden!
- De tenten van de Vlamingen branden!
Maar voor iemand van zijn verwondering bekomen was, was de vreemde groep reeds over de heuvels verdwenen.
- Dat zijn de Turken!
- Ja, dat zijn de Turken.
Een ogenblik bleven
de zwaarden van vriend en vijand rusten.
Zowel de krijgers van Tancredo als de
Vlamingen staakten de strijd.
Dit vreemde gebeuren bracht hen terug tot de
nuchtere werkelijkheid.
- Kijk.
Daar zijn ze
weer! werd er geroepen.
Inderdaad, de witte
groep ruiters stormde opnieuw over de vlakte.
Ze naderden in volle galop tot op
schietafstand en schoten dan een dichte pijlenregen naar de verraste
kruisvaarders.
De brandende pijlen deden de paarden schrikken.
Vriend en vijand riepen nu luid:
- De Turken!
- Ja, dat zijn de
Turken.
Te wapen!
Heer Boudewijn schuimbekte van woede.
- Die duivelse
Turken achterna, donderde hij.
Laat er geen enkele ontsnappen!
- De Turken branden
onze tenten plat!
Te wapen!
- Voorwaarts.
De
Turken achterna!